rechtsgebieden

Wordt uw privacy ook geschonden of staat u ten onrechte op een zwarte lijst?

Wordt uw privacy ook geschonden of staat u ten onrechte op een zwarte lijst?

Hoewel het “Recht om vergeten te worden” onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming een nieuwe dimensie krijgt, bestaat dit recht al langer. De betekenis is weliswaar anders, maar zeker niet onbelangrijker. Het recht om vergeten te worden is voor het eerst actueel geworden in het Costeja-arrest. Hierin spande een spanjaard een zaak aan tegen Google, omdat een zoekopdracht naar zijn naam informatie opleverde over zaken die zich 15 jaar geleden hadden voorgedaan. Hij klaagde er over dat deze informatie nog steeds schadelijk voor hem was. Hierop werd het Google verboden deze zoekresultaten nog langer te tonen.

Steeds vaker gebruiken we het Internet om personen  te zoeken, recensies te lezen en reacties te geven.  Nieuw opgedane contacten zullen u al snel even “Googelen”. Ook potentiele klanten zullen  gegeven recensies of reacties van anderen lezen. Niks mis mee op het eerste gezicht, maar wat als deze informatie (ten onrechte) afbreuk doet aan het imago van een persoon of organisatie? Hier komen we op het snijpunt van het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op een persoonlijke levenssfeer (Art. 10 EVRM versus Art. 8 EVRM). Beide rechten moeten in principe gewaarborgd worden. Maar wat als het evenwicht tussen deze twee zoek is en iemand vindt dat zijn recht op een persoonlijke levenssfeer wordt geschonden? Er zijn twee mogelijkheden om hier iets tegen te doen.

De eerste mogelijkheid is bijvoorbeeld  Google als zoekmachine te verzoeken  de ongewenste zoekresultaten niet meer te tonen.  Om een succesvol beroep te doen op “het recht om vergeten te worden” is het belangrijk dat de weergegeven resultaten ontoereikend, buitensporig of irrelevant zijn. Om dit te bepalen dient dat de aard van de informatie, het publiek belang en rol van de persoon in kwestie beoordeeld te worden. Iemand die een publieke rol vervult zal minder snel een beroep kunnen doen op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Hij of zij zal meer moeten dulden. Ook de aard van de informatie is belangrijk. Betreft het hier privé-informatie of gaat het om informatie uit hoofde van iemands functie? Het verbergen van zoekresultaten door zoekmachines is de eenvoudigste stap voor iemand om zich te weren tegen een ongewenste inbreuk op zijn privacy.

De tweede mogelijkheid is een stuk lastiger. Dan moet de daadwerkelijke  informatie, waarnaar verwezen wordt door de zoekmachine, worden verwijderd.  Als het belastende artikel  uit het online krantenarchief is verwijderd valt er ook niets meer weer te geven . Om dit te bereiken zal er aan hoge eisen moeten worden voldaan, want het is in principe niet de bedoeling dat bijvoorbeeld kranten de geschiedenis herschrijven. Het laten verwijderen van een nieuwsartikel uit een online-krantenarchief zal dan ook niet snel door de rechter worden toegekend.

Het verwijderen van originele nieuwsberichten zal dus in de praktijk niet snel slagen, maar het niet meer weergeven van een zoekresultaat door Google zal het betreffende bericht  een stuk minder gemakkelijk vindbaar maken!  Wordt uw privacy ook geschonden of staat u bijvoorbeeld  ten onrechte op een zwarte lijst? Dan kunt u contact opnemen met ons kantoor om te bepalen wat in uw geval de mogelijkheden zijn.

20 februari 2017 door Arjan Brookman

methoden

Algemene Verordening Gegevensbescherming

Algemene Verordening Gegevensbescherming

Op 25 mei 2018 wordt de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) vervangen door de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Anders dan de privacyrichtlijn van 1995 is deze verordening rechtstreeks en direct toepasbaar in alle lidstaten van de Europese Unie zonder omgezet hoeven te worden in nationale regelgeving. De ruimte voor een nationale interpretatie komt hiermee dan ook te vervallen. Vanaf 25 mei 2018 moeten alle organisaties, die persoonsgegevens verwerken, voldoen aan deze verordening. Veel van deze vereisten golden ook al onder de werking van de Wbp. Toch is de verordening op een aantal punten aangescherpt en is de boetebevoegdheid toegenomen.
Voor organisaties die persoonsgegevens verwerken (verwerkingsverantwoordelijke), neemt de verantwoordelijkheid toe. De verplichting, zoals die binnen de Wbp bestond om de verwerking van persoonsgegevens te melden vervalt met de komst van de AVG. Hiervoor in de plaats komen een reeks van nieuwe verplichtingen voor de verwerkingsverantwoordelijke. Daarnaast worden de rechten van personen waarvan de persoonsgegevens worden verwerkt (betrokkene) versterkt. Deze nieuwe verplichtingen en rechten leggen een grote druk bij de verwerkingsverantwoordelijke en maken het noodzakelijk om actie te ondernemen.

Wat zijn persoonsgegevens?
Een persoonsgegeven is elk gegeven over een geïdentificeerd of identificeerbaar natuurlijke persoon. Bijvoorbeeld naam, adres, telefoonnummer etc.

Wat wordt verstaan onder verwerking?
Dit is een bewerking of een reeks aan bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens, al dan niet geautomatiseerd, zoals het verzamelen, vastleggen, bijwerken, wijzigen, verspreiden en gebruiken.

Wat zijn de eisen voor de verwerkingsverantwoordelijke onder de AVG?
In het algemeen zal de rol van de verwerkingsverantwoordelijke onder de AVG actiever worden. Er moet actief worden gezocht naar manieren om de verwerking van persoonsgegevens zo weinig mogelijk belastend te laten zijn voor de betrokkene. Volgens artikel 25 AVG treft de verwerkingsverantwoordelijke zowel bij de bepaling van de verwerkingsmiddelen als bij de verwerking zelf, passende technische en organisatorische maatregelen, die zijn opgesteld met als doel de gegevensbeschermingsbeginselen op een doeltreffende manier uit te voeren en de nodige waarborgen in de verwerking in te bouwen ter naleving van de voorschriften van deze verordening en ter bescherming van de rechten van de betrokkenen. Wat betekent dit in de praktijk?

In de praktijk

Privacy by design en privacy by default
Een belangrijke voorwaarde om de voldoen aan de AVG is dat er tijdens de ontwikkeling van producten en diensten (zoals informatiesystemen) ten eerste aandacht besteed wordt aan privacy-verhogende maatregelen.(privacy by design) Wordt er bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tussen de bevoegdheden van de verschillende gebruikers? Kan er gemonitord worden wie, wanneer, welke gegevens heeft geraadpleegd? Ook betekent het dat er zo weinig mogelijk gegevens moeten worden verwerkt. De verzamelde gegevens dienen toereikend en ter zake dienend te zijn en beperkt te blijven tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Dit is het vereiste van dataminimalisatie. Dit betekent voor organisaties dat ze goed na moeten denken over de noodzaak van de hoeveelheid en het soort gegevens dat zij verzamelen. Een manier om de privacy van betrokkenen te vergroten is het pseudonimiseren. Bij pseudonimisering worden persoonsgegevens onherkenbaar gemaakt met de mogelijkheid deze later weer te kunnen koppelen aan een persoon. Anders is dit bij anonimisering. Hier worden persoonsgegevens onherkenbaar gemaakt zonder de mogelijkheid deze later weer te kunnen koppelen aan een persoon.
Omdat een van de eisen van de AVG is dat er zo weinig mogelijk persoonsgegevens worden verwerkt is de verwerkingsverantwoordelijke verplicht de standaardinstellingen van een bepaalde toepassing zo te bepalen dat alleen die persoonsgegevens worden vastgelegd die noodzakelijk zijn (privacy by default) .

Toestemming van betrokkene
In veel gevallen is toestemming van de betrokkene vereist. De verwerkingsverantwoordelijke moet kunnen aantonen dat er toestemming is verleend. Toestemming moet worden gegeven door een actieve handeling van de betrokkene en deze moet goed geïnformeerd instemmen met de verwerking van zijn of haar persoonsgegevens. Stilzitten of het gebruik van al aangevinkte vakjes mag niet meer gelden als toestemming.

Bewerkersovereenkomsten
Wordt de verwerking van persoonsgegevens uitbesteed aan een derde dan is het noodzakelijk dat de verwerkingsverantwoordelijke nagaat of de verwerker aan de eisen van de AVG voldoet dat. Wellicht dat de bewerkersovereenkomst moet worden aangepast aan de eisen van AVG. De verwerking verantwoordelijke blijft ook na inschakeling van een bewerker verantwoordelijk.

Het recht om vergeten te worden
Nieuw is het recht om vergeten te worden. Dit recht is in lijn met het doel om de gegevensverwerking zo weinig mogelijk belastend te laten zijn voor betrokkene. Volgens artikel 17 van de AVG heeft de betrokkene in een zestal gevallen recht op wissing van zijn of haar gegevens. De twee belangrijkste en meest voorkomende zijn waarschijnlijk:
1 De persoonsgegevens zijn niet langer nodig voor het doel waarvoor ze verzameld zijn.
2 De betrokkene maakt bezwaar tegen de verwerking en er zijn geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor verwerking.
Belangrijk bij het recht om vergeten te worden is het wissen van gegevens die door de verantwoordelijke openbaar zijn gemaakt. Dit betekent dat de verantwoordelijke alle nodige en redelijke maatregelen moet nemen om ieder koppeling naar een kopie of reproductie van de persoonsgegevens moet wissen.

Dataportabiliteit
Ook nieuw onder de AVG is het recht op overdraagbaarheid van gegevens. De betrokken heeft het recht de gegevens die hij of zij aan de ene verwerker heeft verstrekt over te dragen naar een andere verwerkers. Hij heeft het recht zijn persoonsgegevens op een gestructureerde, gangbare en machine leesbare vorm te verkrijgen en ook het recht deze gegevens aan een andere verwerker te verstrekken.

Register
Onder de AVG is iedere verwerker verplicht een register aan te leggen met betrekking tot het verwerken van persoonsgegevens met daarin onder andere informatie omtrent de verwerkingsdoeleinden, categorieën van gegevens , beschrijving van organisatorische en technische beveiligingsmaatregelen etc. ook zal hierin de bewaartermijn van de gegevens worden vastgelegd.

Boetebedragen
De boetebedragen die de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)kan opleggen voor het overtreden van AVG kunnen oplopen tot EUR 20.000.000,- of 4% van de totale wereldwijde jaaromzet. Voorwaarde voor de hoogte van de boete is dat deze doeltreffend , evenredig en afschrikkend is. Dit betekent dus dat de AP niet terughoudend zal zijn met het opleggen ervan.

Conclusie
Dat er heel wat gaat veranderen is duidelijk. De rechten voor betrokkene worden uitgebreid evenals de verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke. Organisaties en ondernemingen zullen alles voor 25 mei volgend jaar in orde moeten hebben. Niet alleen de dreiging van de hoge boetebedragen , maar ook de eventuele negatieve publiciteit vanwege het niet voldoen aan de verordening zal verwerkers van persoonsgegevens ertoe dwingen de zaken op orde te krijgen.

 

31 januari 2017 door Arjan Brookman

rechtsgebieden

Rechtsbijstandsverzekering: beste koop of “Kat in de zak”? Afsluiten of links laten liggen?

Rechtbijstandsverzekering: beste koop of “Kat in de zak”? Afsluiten of links laten liggen?

 

Voor het antwoord op de vraag of het raadzaam is om een rechtsbijstandsverzekering af te sluiten, links te laten liggen of op te zeggen is het volgende van belang:

Wanneer u als verzekerde hecht aan kwaliteit en voortvarendheid (zonder dat dit ten koste gaat van het belang van uw zaak), dan is het goed om er bij stil te staan dat rechtsbijstand verzekerden in de praktijk doorgaans te maken krijgen met:

·        Administratieve rompslomp/ontmoedigingspolitiek van de verzekeraar

·        Dekkingsproblemen met de verzekeraar voor, tijdens of na de rechtsbijstand

·        Oeverloze discussies over “redelijke kans van slagen” voor het voeren van een procedure, over het plan van aanpak van de zaak van de verzekerde, de gemaakte kosten etc. Verzekerden veronderstellen dat zij door de verzekeraar geholpen worden met een geschil of discussie en krijgen dikwijls ongevraagd een of meerdere discussies met de verzekeraar erbij. Klachtenregelingen kosten de verzekerden veel tijd en bieden reeds daarom vaak geen soelaas.

·        Beperkingen van de vrije keuze van externe juridisch adviseur of advocaat:zolang er geen “procedure” is, kan de verzekerde niet terecht bij de verzekeraar voor een externe juridisch adviseur of advocaat naar keuze. Deze kosten moet de verzekerde dus zelf betalen.

·        Onduidelijkheid over de hoedanigheid van degene die namens de verzekeraar de zaak van de verzekerde behandelt: de verzekeraars betitelen hun eigen behandelaars al gauw tot “specialisten”. Die betiteling heeft evenwel weinig tot niets om het lijf. Het kan gaan om een afgestudeerd Master-jurist of HBO/Bachelor jurist, maar het kan evengoed een student (-stagiair) betreffen of iemand die een paar cursussen van een paar dagen heeft gedaan, al dan niet met wat praktijkervaring, of iemand die een fan is van de rijdende rechter.

·        De behandelaar van de verzekeraar kan een tunnelvisie hebben, gericht op “schikken”. De behandelaars van de verzekeraars hebben forse targets van 200 a 300 dossiers (soms hoger) om dossiers “af te wikkelen”. Dit betekent dat er gemiddeld iedere werkdag (8 uur, 261 dagen per jaar) door een behandelaar die fulltime in dienst is, minimaal één dossier moet zijn afgewikkeld. Een behandelaar van de verzekeraar die te weinig schikt, loopt het risico niet aan zijn target te kunnen voldoen. De behandelaar wordt derhalve door de verzekeraars in wezen verleid en aangespoord om zoveel en zo snel mogelijk te schikken. Omgekeerd wordt de behandelaar door de verzekeraar  afgestraft indien hij/zij niet aan de target voldoet. Niet de behandelaar, maar de verzekerde zelf moet zijn/haar belangen dus zoveel mogelijk zelf bewaken.

·        Een verzekerde betaalt vaak jarenlang (soms tientallen jaren) premie en krijgt daar in het geval van beroep op de rechtsbijstandsverzekering dus gemiddeld totaal ca. 8 uur (1 werkdag van 1 behandelaar) voor terug!

·        Er geldt een maximum vergoeding/dekking. Weinig verzekerden weten dat er op grond van de Polisvoorwaarden een maximum vergoeding geldt voor externe rechtsbijstand voor een juridisch adviseur of advocaat naar keuze. Bij Das Rechtsbijstand bijvoorbeeld, kan dit een maximum van € 2500 per procedure zijn. Alle kosten boven het maximum moet de verzekerde zelf betalen.

·        Er geldt bovendien een eigen bijdrage. Bij Das Rechtsbijstand bijvoorbeeld kan die eigen bijdrage oplopen tot tenminste € 250 inclusief BTW, per procedure wel te verstaan. Dat gaat dus nog van de € 2500 af. Met andere woorden: de verzekerde moet ook nog bijbetalen bij een beroep op externe rechtsbijstand naar keuze indien het maximum wordt bereikt.

Is een rechtsbijstandsverzekering goedkoop of duurkoop?

Even een rekensom. Stel: u betaalt 10 jaar lang rechtsbijstandspremie tegen een premie van (laten we zeggen) 200 euro per jaar. Rente op rente is dit bijna € 3000 euro na 10 jaar. Dat betekent dat u bij de verzekeraars gemiddeld een uurtarief betaalt van € 375 (namelijk 3000/8 uur) voor behandeling door een behandelaar van de verzekeraar zelf. Hierop moet nog in mindering worden gebracht het griffierecht/de dagvaardingskosten. Echter het uurtarief is dan waarschijnlijk gemiddeld nog steeds minimaal € 325. Oftewel: dit uurtarief is aanmerkelijk hoger dan van de meeste advocaten/juridisch adviseurs.

Wanneer op grond van de verzekeringsovereenkomst beroep wordt gedaan op de vrije keuze van juridisch adviseur of advocaat, dan geldt de hiervoor genoemde maximale dekking. De vraag is dan of u als consument/verzekerde niet (veel) beter uit bent door rechtstreeks met de gewenste juridisch adviseur of advocaat een goede prijs te bedingen. Het gros van de verzekerden doet overigens helemaal geen beroep op de verzekering en krijgt voor de betaalde premie zelfs helemaal niets terug.

Wilt u als verzekerde voor arbeidsrechtzaken maximaal profiteren van uw huidige rechtsbijstandsverzekering?

Dat kan. Orange Legal (www.orangelegal.nl en info@orangelegal.nl) heeft -in ieder geval tot en met 31 oktober 2016 een ludieke actie.  Orange Legal betaalt voor verzekerden die bij hun verzekeraar met succes beroep doen op externe rechtsbijstand van een arbeidsrechtzaak via Orange Legal (dit recht heeft de verzekerde) de kosten van het door de verzekeraar gestelde “eigen risico” tot een maximum van € 750 inclusief BTW.

Orange Legal zal deze kosten van eigen risico in een later stadium vervolgens proberen te verhalen via cessie op de betreffende verzekeraar zodra het Europese Hof van Justitie zich heeft uitgelaten over de vraag of deze beperkingen van maximale dekking en eigen risico wel zijn toegestaan. Orange Legal is van mening dat de beperkingen die de verzekeraars stellen aan maximale dekking en eigen risico niet door de beugel kunnen. De toegang tot rechtshulp voor de verzekerden wordt hierdoor namelijk fors ingeperkt en verzekerden worden gedupeerd. Dit is wat Orange Legal betreft ontoelaatbaar.

Deze post is geschreven door mr. Floris Zwartkruis (Orange Legal). Voor meer informatie: www.orangelegal.nl en info@orangelegal.nl

 

 

methoden

Zieke werknemer beter af onder de WWZ?

Zieke werknemers zijn een bron van zorgen voor werkgevers. Eén van de meest gehoorde bezwaren blijft de lange duur waarover het salaris doorbetaald moet worden en waarmee Nederland volledig uit de pas loopt met andere Europese landen. Het CPB rekende echter eerder dit jaar door dat een verkorting van de loondoorbetalingstermijn naar een jaar €0,8 miljard extra werkgeverslasten per jaar oplevert en een verslechtering van de overheidsfinanciën van €0,1 miljard. Verkorting van de loondoorbetalingstermijn lijkt er daarom ook onder de WWZ niet in te zitten, hoewel het nu zittende kabinet heeft uitgesproken het huidige systeem toch onder de loep te willen nemen .

Is de rechtspositie van de zieke werknemer onder de WWZ dan anders geworden waardoor het voor werkgevers eenvoudiger of minder kostbaar is geworden om afscheid van hem te nemen? Hierna zal die vraag aan de hand van de verschillende mogelijkheden om het dienstverband met een zieke werknemer te (doen) beëindigen, zoveel mogelijk beantwoord worden.

Beëindigingsmodaliteiten

Tot 1 juli kon de arbeidsovereenkomst met een werknemer beëindigd worden door middel van een ontslagvergunning of via ontbinding door de kantonrechter. Per 1 juli is die keuzevrijheid komen te vervallen. Bij bedrijfseconomische omstandigheden en in geval van langdurig zieke werknemers kan er slechts beëindigd worden met een ontslagvergunning. Voor andere ontslaggronden moet er ontbinding gevraagd worden aan de kantonrechter. Deze wijziging laat onverlet de ook vóór 1 juli bestaande mogelijkheid een vaststellingsovereenkomst te sluiten. Nieuw is evenwel de opzegging met schriftelijke instemming door de werknemer. Wat betekent dit alles nu in de praktijk voor de zieke werknemer?

Ontslagroute UWV

UWV kan zich slechts nog buigen over aanvragen om ontslagvergunningen op grond van bedrijfseconomische redenen (art.7:671a lid 1 jo. 7:669 lid 3 BW) of langdurige arbeidsongeschiktheid. Tegelijk is het niet meer mogelijk om op basis van die gronden ontbinding te verzoeken aan de kantonrechter. Dat kan alleen wanneer UWV eerder afwijzend op een dergelijke aanvraag heeft beslist (art. 7:671b lid 1 onder b BW) of wanneer het een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd betreft. Deze fundamentele wijziging heeft een aanzienlijk versterkend effect op de rechtspositie van zieke werknemers.

Bedrijfseconomische redenen
De eerste belangrijke positieversterking van zieke werknemers is te vinden in het kader van ontslagvergunningen op grond van bedrijfseconomische redenen (de a-grond van art. 7:669 lid 3 BW). De kantonrechter vergewiste zich er vóór 1 juli slechts van of het ontbindingsverzoek wegens bedrijfseconomische redenen al dan niet verband hield met een opzegverbod. Duidelijk mag zijn dat een dergelijk verband in de regel niet aangewezen kon worden. Het opzegverbod kon op die manier dan ook eenvoudig ‘omzeild’ worden.
Tenzij de ziekte een aanvang heeft genomen nadat de aanvraag om een ontslagvergunning op bedrijfseconomische gronden bij UWV is ingediend (art. 7:670 lid 1 onder b BW) of als het gaat om algehele bedrijfssluiting (art. 7:670a lid 2 sub d BW), kan sinds 1 juli een aanvraag om een ontslagvergunning wegens bedrijfseconomische redenen nooit het beoogde effect sorteren wanneer de betreffende werknemer ziek is (art. 7:670 lid 1 BW). Voor de reorganisatiepraktijk betekent dit dat de werkgever niet die zieke werknemer kan ontslaan die volgens het afspiegelingsbeginsel voor ontslag in aanmerking komt. Dat lijkt niet redelijk wanneer de werkgever de noodzaak van zijn reorganisatie wel heeft aangetoond. Daarom is geregeld dat in dat geval de eerstvolgende werknemer voor ontslag in aanmerking komt indien de bedrijfsarts heeft geoordeeld dat de zieke werknemer dat naar verwachting nog minimaal 4 weken zal blijven. Wat er van die implicatie van het opzegverbod zij, de zieke werknemer zelf is dus aanzienlijk beter beschermd tegen ontslag in geval van bedrijfseconomische omstandigheden dan voorheen en wat de wetgever ook uitdrukkelijk heeft beoogd.

Langdurige ziekte
Na meer dan twee jaar van ziekte (de b-grond van art. 7:669 lid 3 BW) bestaat er ook onder WWZ voor de werkgever de mogelijkheid een ontslagvergunning aan te vragen. Het opzegverbod geldt dan logischerwijs niet (art. 7: 670 lid 1 onder a BW). Als vereisten gelden dat de ongeschiktheid tot werken 104 weken heeft geduurd, de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en herstel van de werknemer niet binnen 26 weken verwacht kan worden noch in die periode aangepaste arbeid kan worden gerealiseerd. Materieelrechtelijk is aan deze ontslagmogelijkheid door de bank genomen niets gewijzigd. Overigens, ten aanzien van zieke werknemers die zich niet aan hun re-integratieverplichting houden ex art.7: 660a BW, geldt het opzegverbod wegens ziekte niet.
Tot 1 juli kon naast het benaderen van UWV voor een ontslagvergunning ook de kantonrechter om ontbinding wegens langdurige ziekte verzocht worden. Daarbij werden door de kantonrechter de beleidsregels van UWV (Beleidsregel Ontslagtaak UWV) toegepast. Voordeel van de UWV-procedure ten opzichte van een ontbindingsprocedure was dat voorkomen kon worden dat er aan de werknemer een vergoeding betaald moest worden, welk risico wel bestond in geval van ontbinding. Met de invoering van de transitievergoeding is dit werkgeversvoordeel komen te vervallen.

Toetsing oordeel UWV
De opzegging van een arbeidsovereenkomst op grond van een ontslagvergunning kan per 1 juli getoetst worden door de kantonrechter (art. 7:682 lid 1 BW). Is de opzegging volgens de kantonrechter is strijd met art. 7:669 lid 3 onder a of b BW dan kan de kantonrechter de arbeidsovereenkomst herstellen (art. 7:682 lid 1 onder a BW). Het betreft dan een zuiver materieelrechtelijke toets ten aanzien van de vereisten die voor die ontslaggronden gelden. Op grond van art. 7:682 lid 1 onder b BW kan de kantonrechter tevens een billijke vergoeding toekennen in het geval de opzegging middels een ontslagvergunning op grond van bedrijfseconomische omstandigheden vernietigbaar is, maar herstel van het dienstverband niet aan de orde kan zijn vanwege een omstandigheid waarbij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Wanneer sprake is van een vernietigbare opzegging wegens langdurige ziekte kan op grond van lid 1 onder c – zonder te hoeven beoordelen of herstel van het dienstverband al dan niet aan de orde is – een billijke vergoeding toegekend worden wanneer de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Het gaat in zo’n geval dus niet om een materieelrechtelijke toets van de ontslagcriteria maar naar mijn mening meer om een oorzaak/gevolgen-toets zoals we die kennen in het licht van het kennelijk onredelijk ontslag (het vervallen art. 7:681 BW) en wat tot 1 juli jl. de enige mogelijkheid vormde om een opzegging op grond van een ontslagvergunning in rechte voor te leggen. Gegeven de redactie van art. 7:682 lid 1 onder c BW lijkt echter de beoordelingslat hoger te liggen dan het wat milder geformuleerde kennelijk onredelijk ontslag en waarvoor verwijtbaarheid, laat staan ernstige, niet vereist was. Zo kon de combinatie van een langdurig dienstverband en ongeschiktheid tot werken als gevolg van dat dienstverband, kennelijk onredelijk ontslag opleveren.
Tegen genoemde mogelijke beslissingen van de kantonrechter kan hoger beroep en cassatie worden ingesteld zonder schorsende werking waar het het toegewezen herstel van het dienstverband betreft (art. 7:683 lid 1 BW). Deze mogelijkheid geldt uiteraard ook voor niet zieke werknemers van wie het dienstverband is opgezegd wegens bedrijfseconomische redenen en vormt daarmee een algehele rechtspositieversterkende wijziging.

Ontbinding

Zoals hiervoor al genoemd is, is het het UWV dat bij exclusiviteit oordeelt over het ontslag van langdurig zieke werknemers, waarbij ik hier wel opmerk dat het dan moet gaan om werknemers met dienstverbanden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd met tussentijds opzegbeding. In art. 7:671b lid 1 onder c BW is namelijk opgenomen dat ontbinding op de a- en b-grond mogelijk is bij contracten voor bepaalde tijd zonder tussentijds opzegbeding. In art. 7:671b lid onder b BW is voorts ten aanzien van werknemers met arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd de mogelijkheid opgenomen om ontbinding te vragen wanneer de aanvraag om een ontslagvergunning is afgewezen.
Uit art. 7:671b lid 2 BW volgt dat de kantonrechter een verzoek op grond van het eerste lid alleen kan inwilligen indien er, voor zover hier van belang, geen opzegverboden of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden in een ander wettelijk voorschrift gelden. Dat maakt dat een ontbindingsverzoek op grond van ziekte of bedrijfseconomische omstandigheden wegens het opzegverbod niet kan worden toegewezen. In afwijking van lid 2 is in lid 6 bepaald dat ondanks een opzegverbod een ontbindingsverzoek kan worden toegewezen wanneer het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben óf er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer dient te eindigen. Dat laatste lijkt voor de praktijk een zeldzaamheid. Relevanter is daarom de eerste afwijkingsmogelijkheid. Wat daaraan om te beginnen opvalt is dat die bepaling geen onderscheid maakt tussen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. Daar waar het UWV de ontslagvergunning geweigerd heeft op inhoudelijke gronden kan bij ontbinding van een contract voor bepaalde tijd van een zieke werknemer volstaan worden met toetsing van de criteria die gelden bij langdurige ziekte of bedrijfseconomische. Weliswaar zou die toetsing door de kantonrechter niet anders moeten uitvallen dan wanneer UWV zich daarover zou hebben gebogen maar een wat hellend vlak vormt het wel. Hoe dan ook, het criterium dat het opzegverbod genegeerd mag worden in geval het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben, zal ook onder de WWZ steeds waar mogelijk de discussie doen ontaarden of aan het opzegverbod al dan geen reflexwerking toekomt, ondanks het in art. 7:671b lid 6 BW geformuleerde uitgangspunt van het opzegverbod wegens ziekte. Ik verwijs in dit verband naar een uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 23 juli 2015 (ECLI:NL:RBGEL:7059), waarin ontbinding gevraagd werd van een arbeidsovereenkomst met een aan alcohol verslaafde buschauffeur op de grond van een onherstelbare vertrouwensbreuk. De kantonrechter overwoog:

’Die gronden kunnen naar het oordeel van de kantonrechter niet worden aangemerkt als gronden die geheel losstaan van de (aard van de) ziekte. Daarom kan niet worden gezegd dat er gronden zijn voor de ontbinding die geen verband houden met de ziekte zodanig dat het beroep op de reflexwerking van het opzegverbod in dit geval niet zou gelden.’

De kantonrechter lijkt hier te zeggen dat het verzoek wel verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft (art. 7:671b lid 6 onder a BW), maar spreekt desondanks expliciet van reflexwerking van het opzegverbod. Op zich beschouwd zou het kennelijke gedrag van de chauffeur de veiligheid van passagiers in het geding kunnen brengen en zijn weigering zijn leven te beteren, samen kunnen leiden tot een onwerkbare arbeidsrelatie en daarmee ontbinding rechtvaardigen. De kantonrechter heeft in deze uitspraak evenwel gemeend dat dan het opzegverbod ten onrechte genegeerd zou worden en heeft er mijns inziens daarom reflexwerking aan toegekend.
Belangrijk lijkt op het oog de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan tegen toegewezen ontbindingsverzoeken met een vernietiging van die beschikking of toekenning van een billijkheidsvergoeding als mogelijk gevolg (art. 7:683 lid 3 BW). De onzekerheid en financiële risico’s die dat met zich brengt zou werkgevers moeten prikkelen het daar niet op aan te laten komen en een minnelijke oplossing met de werknemer te realiseren. Of deze beroepsmogelijkheid in de praktijk al of niet een papieren tijger blijkt te zijn, zal afgewacht moeten worden. In theorie levert het een versterking van de rechtspositie van zieke werknemers op, met ook hier de aantekening dat dit natuurlijk ook voor niet zieke werknemers geldt.

Vaststellingsovereenkomst / opzegging met schriftelijke instemming

Alternatieven voor het omzeilen van het opzegverbod worden in theorie geboden door de art. 7:670b en art. 7:671 BW. De eerste betreft de vaststellingsovereenkomst, de tweede bepaling is nieuw en ziet op opzegging door de werkgever met schriftelijke instemming van de werknemer. In beide gevallen komt aan de werknemer bedenktijd van twee tot drie weken toe (art. 7:670b lid 2 en 3 BW respectievelijk art. 7:671 lid 2 en 3 BW), waarbinnen op de aanvankelijke wilsuiting kan worden teruggekomen.
Beide mogelijkheden zijn voor een zieke werknemer uiterst risicovol, zo niet fataal, voor het recht op een Ziektewetuitkering. In artikel 45 lid 1 jo. 7 Ziektewet (ZW) is opgenomen dat een werknemer moet voorkomen dat de fondsen worden benadeeld, wat onder meer het geval is wanneer zonder deugdelijke grond nagelaten wordt verweer te voeren tegen of zonder verweer ingestemd wordt met een beëindiging van het dienstverband terwijl het opzegverbod van toepassing is. De ratio van deze bepaling ligt voor de hand; gold deze drempel voor het recht op het uitkering niet dan was het wel erg eenvoudig om van zieke werknemers af te komen. De vraag dringt zich wel op wat de intensiteit moet zijn van een gevoerd verweer. Uitgangspunt is dat de werknemer al datgene wat tegen een (voorgenomen) ontslag kan worden aangevoerd ook daadwerkelijk in stelling brengt en verweer alleen achterwege kan blijven wanneer dat kansloos is of de kans op succes ervan verwaarloosbaar klein zou zijn. Als voorbeeld kan genoemd worden een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 april 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW1977). De betrokken zieke werknemer stemde in met beëindiging van zijn dienstverband wegens bedrijfseconomische omstandigheden en onder toepassing van een door de vakbonden geaccordeerd sociaal plan. UWV weigerde een Ziektewetuitkering op grond van benadeling. De CRvB oordeelde echter dat nu het verval van arbeidsplaatsen niet in geschil was, het afspiegelingsbeginsel juist was toegepast en voorts de gehanteerde opzegtermijn en toegekende ontslagvergoeding juist tot stand waren gekomen, het de werknemer niet verweten kon worden ingestemd te hebben met de beëindiging en daarom van benadeling geen sprake was. Onder de WWZ zal zelfs deze uitzondering niet geaccepteerd meer kunnen worden. Immers geldt bij bedrijfseconomische omstandigheden een absoluut opzegverbod zodat een analyse over de vraag of enig verweer in een ontslagkwestie wegens bedrijfseconomische omstandigheden kansrijk is, niet meer aan de orde kan zijn. Een zieke werknemer die vrijwillig instemt met zijn ontslag of geen verweer voert zal altijd verweten (moeten) worden niet geageerd te hebben op grond van het opzegverbod wegens ziekte.
De mogelijkheden van de beëindiging met wederzijds goedvinden en opzegging met schriftelijke instemming zullen dus onder de WWZ eens te meer niet aan te bevelen zijn voor zieke werknemers. Stemt de zieke werknemer toch in met beëindiging of opzegging dan heeft hij twee of drie weken de tijd daarop terug te komen en wordt de beëindiging of opzegging geacht nooit bestaan te hebben.

Transitievergoeding voor de zieke werknemer

Op grond van art. 7:673 BW heeft de werknemer die 24 maanden of langer in dienst is – wat per definitie het geval is bij zieke werknemers voor wie ontslag aangezegd is op grond van langdurige ziekte (minstens twee jaar) – en onvrijwillig zijn baan verliest, recht op de transitievergoeding, zowel bij opzegging als ontbinding. De vergoeding is tevens verschuldigd bij het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever. De vergoeding is verder alleen dan niet verschuldigd wanneer het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (art. 7:673 lid 7 onder c BW).
Tot 1 juli kon zowel via het UWV als via de kantonrechter beëindiging van een dienstverband met een langdurig zieke werknemer worden gerealiseerd. Vanwege het risico om als werkgever tegen een ontbindingsvergoeding aan te lopen, werd vaak voor de UWV-route gekozen. Door de invoering van de transitievergoeding wordt de werkgever standaard geconfronteerd met een te betalen vergoeding, tenzij sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Gedacht kan daarbij worden aan de werknemer die ontslagen wordt vanwege zijn weigering zich in te spannen voor zijn re-integratie en in welke situatie het opzegverbod overigens ook niet geldt (art. 7:670a lid 1 BW). Opdam merkte op dat het verschuldigd zijn van de transitievergoeding niet redelijk is in het geval de zieke werknemer middels het tweede spoor duurzaam gere-integreerd is en het dienstverband met de oorspronkelijke werkgever om die reden beëindigd kan worden. Dat valt wel in te voelen, maar het is de wetgever er op dit punt om te doen geweest om iedere werknemer omwille van de rechtszekerheid gelijk behandeld te zien. Voorts is een werkgever in zo’n situatie ook niet verplicht de arbeidsovereenkomst te (doen) beëindigen. De werkgever kan er voor kiezen het dienstverband slapende te houden tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, waarna geen transitievergoeding verschuldigd is. Zo heeft de kantonrechter Gouda in zijn beschikking van 21 oktober jl. (AR 2015 – 1095) geoordeeld dat er in de WWZ geen verplichting is opgenomen om een dienstverband tot een eind te brengen en een werkgever daartoe dus ook niet gehouden is.

Conclusie

Het antwoord op de vraag of de zieke werknemer beter af is onder de WWZ luidt wat mij betreft duidelijk bevestigend. De onmogelijkheid om een zieke werknemer te ontslaan in geval van bedrijfseconomische omstandigheden steekt er daarbij met kop en schouders bovenuit. Het opzegverbod is namelijk zo absoluut dat ook een vaststellingsovereenkomst in een dergelijke situatie geen oplossing kan bieden. UWV zal dan steeds tot benadeling van het fonds moeten beslissen en een Ziektewetuitkering weigeren.
Een nieuwe versterkend element onder de WWZ is ook dat van beslissingen op ontslagaanvragen door UWV beroep ingesteld kan worden bij de kantonrechter. Dit rechtsmiddel bestond eerder niet zo expliciet. Tot 1 juli stond slechts de actie tot kennelijk onredelijk ontslag open, waarbij de kennelijke onredelijkheid van de opzegging zelf werd beoordeeld maar niet zozeer de beslissing tot toekenning van de ontslagvergunning.
Tot slot, vanaf 1 juli geldt dat ook zieke werknemers van wie de arbeidsovereenkomst opgezegd wordt, aanspraak maken op de transitievergoeding. Werkgevers zijn evenwel niet verplicht om het dienstverband met een meer dan 2 jaar zieke werknemer te beëindigen en zouden deze slapend kunnen houden tot de pensioengerechtigde leeftijd van de werknemer, waarna er geen transitievergoeding verschuldigd is.
De openstelling van hoger beroep en cassatie is weliswaar niet voorbehouden aan zieke werknemers, maar vormt desondanks een welkome aanvulling op hun toch al niet toe te wensen (rechts)positie.

Voor vragen kunt u contact opnemen met mr. Björn van Dijk.

mensen

Bemiddelingskosten verhuurmakelaar

Wie een woning wil gaan huren, krijgt vaak te maken met een verhuurmakelaar. Zo’n verhuurmakelaar probeert te verdienen aan vraag en aanbod op de woningmarkt. Het komt vaak voor dat hij kosten in rekening brengt aan de verhuurder, maar ook aan de huurder. Veel kantonrechters in Nederland stelden de huurders in het gelijk: de makelaar mag niet van twee walletjes eten. Dit najaar heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan, waaruit volgt dat die kantonrechters gelijk hadden. Het gevolg daarvan is dat je de betaalde bemiddelingskosten van de verhuurmakelaar kunt terugvorderen tot vijf jaar na de betaling daarvan. Wie daarover nu een procedure begint, heeft dus een zeer grote kans op succes.

rechtsgebieden

Hoge Raad: kinderalimentatie anders berekenen

De Hoge Raad heeft op 9 oktober 2015 een belangrijke uitspraak gedaan over de vaststelling van kinderalimentatie.

Het kindgebonden budget moet niet van de behoefte van het kind worden afgetrokken (zoals tot nu toe gebeurde), maar wordt opgeteld bij de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt.

Met deze uitspraak blijven de ouders primair verantwoordelijk voor het betalen van de kosten van levensonderhoud van hun kinderen. De Hoge Raad vindt dat de overheid hierin niet hoeft bij te dragen.

Vorenstaande zal over het algemeen betekenen dat de onderhoudsplichtige ouder meer kan bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van de kinderen dan tot nu toe het geval was.

Voor vragen neem contact op met één van onze familierechtadvocaten.

mensen

Problemen bij een omgangsregeling

Vader en moeder hebben een zoon van drie jaar oud. We noemen hem hier Sem. Sem woont bij zijn moeder en heeft een omgangsregeling met zijn vader. Ouders hebben gezamenlijk het gezag over Sem. Moeder meent dat vader niet goed voor Sem zorgt en dat Sem door de slechte verzorging van vader problematisch gedrag vertoont. Ze laat Sem, in strijd met de afspraken die zij hebben gemaakt in hun ouderschapsplan, niet meer naar zijn vader gaan. Vader start een kort geding en ouders spreken tijdens de zitting af dat vader Sem weer mag zien.

Dat gaat maar kort goed. Na een tijdje meent moeder opnieuw dat vader niet goed voor Sem zorgt en dat het daardoor slecht gaat met Sem. Ze laat Sem wederom niet meer naar zijn vader toe gaan. Vader start opnieuw een kort geding.

Tijdens dat kort geding geeft de rechtbank aan dat moeder niet kan bewijzen dat vader slecht voor Sem zorgt en dat het daardoor niet goed gaat met Sem. De rechtbank is vervolgens duidelijk over het gedrag van moeder en overweegt dat het ouderlijk gezag een juridische plicht en bevoegdheid is van ouders om hun kind op te voeden. Uitgangspunt daarbij is dat het in het belang van het kind is om contact te hebben met beide ouders. Artikel 1:247 lid 3 BW verplicht beide ouders om ontwikkeling van de banden met de andere ouder te bevorderen. Lid 4 bepaalt dat het kind recht heeft op een gelijkwaardige verzorging door beide ouders.

Volgens de rechtbank gaf de moeder met haar opstelling een rangorde aan in de uitoefening van het gezag. De moeder wekte de indruk dat zij het recht had om te bepalen of vader Sem zag en hoe vaak zij contact hadden. Volgens de rechtbank was dat en grote misvatting van moeder. Het feit dat Sem bij moeder woonde, maakte niet dat zij mocht bepalen hoe de omgangsregeling tussen vader en Sem er uit zag.

Moeder had, aldus de rechtbank, eerst hulp moeten inschakelen bij de vermeende problemen van Sem. Indien de problemen zouden blijven, zou pas overwogen kunnen worden of de omgang tussen vader en Sem eventueel aangepast zou moeten worden.

De rechtbank veroordeelde de moeder om weer mee te werken aan de omgang tussen vader en Sem. Als zij dat niet zou doen moest zij een dwangsom van € 200,- per dag betalen.

Bij problemen met een omgangsregeling is het dus van belang om als ouder goed te weten wat uw rechten en plichten zijn. Als u meent dat er problemen zijn met een omgangsregeling, probeer dan zo veel mogelijk bewijs te verzamelen, bijvoorbeeld door verklaringen te vragen aan hulpverleners of school. Loopt u er als ouder tegenaan dat de andere ouder u uw recht op omgang blokkeert, dan kunt aan bovengenoemd voorbeeld zien dat u als ouder een sterk recht heeft om omgang te hebben met uw kind. Het is aldus raadzaam om in dergelijke gevallen contact op te nemen met een advocaat die gespecialiseerd is in familierecht.

Overigens is per 1 maart 2009 de “Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding” in werking getreden. Indien ouders gezamenlijk het gezag hebben, wordt de term “omgangsregeling” officieel vervangen door “regeling betreffende de toedeling aan de ouders van zorg- en opvoedingstaken”. In de praktijk wordt er echter nog veel gesproken over een “omgangsregeling”.

marlies.swart@strixadvocaten.nl

rechtsgebieden

Ongehuwd uit elkaar en een huis onder water?

Tegenwoordig trouwen samenwoonde mensen veel minder vaak. Het komt daarom regelmatig voor dat niet gehuwde partners samen een woning kopen waarvoor zij meestal beiden aan te spreken zijn. Dat heet hoofdelijke aansprakelijkheid. Wanneer de relatie dan tot een einde komt, zal de gemeenschappelijke woning verdeeld moeten worden. Vaak zal één van beide partners de woning willen overnemen. De ander zal ‘ontslagen’ moeten worden uit de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypothecaire geldlening.

In geval van overwaarde van de woning heeft de vertrekkende partner recht op een vergoeding van de helft van de overwaarde die op de woning rust. Maar hoe zit het nu als de woning ‘onder water’ staat, oftewel onderwaarde heeft?

Als een woning onderwaarde heeft, zal ook de onderwaarde verdeeld moeten worden. Dit houdt in dat de vertrekkende partner gehouden kan zijn om de partner die in de woning achterblijft te compenseren. Of deze compensatie (ook) in gelijke delen verdeeld wordt hangt af van de omstandigheden van het geval.

Heeft u vragen omtrent de manier van verdeling van een gemeenschappelijke woning, dan kunt u uiteraard contact met ons opnemen.

sander.heijerman@strixadvocaten.nl

methoden

Samenwoonfraude en opnieuw uitkering aanvragen; een Pandora’s box

Cliënte, een strijdvaardige alleenstaande moeder van drie, had een huisvriend die volgens de gemeentelijke sociale dienst zijn auto wel erg vaak op de oprit bij cliënte had staan. Aangezien deze vriend zelf geen vast adres meer had, zou er wel iets niet in de haak zijn. Wat observaties en navraag bij buurtbewoners verder, besluit de gemeente anderhalf jaar uitkering in te trekken en terug te vorderen voor zo’n €18.000 wegens niet vermelde samenwoning. Cliënte ontkende in alle toonaarden maar stelde zonder succes bezwaar en beroep in.
Om aan het wakende oog van de sociale dienst te ontkomen verhuist moeder met haar kroost naar een andere gemeente, waar zij opnieuw om bijstand vraagt. De behandelend ambtenaar doet wat navraag bij de vorige gemeente… Ook deze gastheer merkt daarna op dat bij zijn nieuwe inwoonster meer wel dan niet een auto voor de deur staat terwijl zij daarover niet zou beschikken. Aan de hand van indringendere observaties, meer nauwkeurige getuigenverklaringen en een onaangekondigd huisbezoek, besluit ook deze gemeente de uitkering in te trekken en terug te vorderen vanwege woonfraude. Daartegen zal vruchteloos bezwaar en beroep worden ingesteld.
Ditmaal verhuist cliënte niet, maar vraagt zij opnieuw uitkering aan. Op de aanvrager rust in zo’n situatie de taak om een gewijzigde situatie aannemelijk te maken. Ze wordt uitgenodigd voor een gesprek bij de sociale dienst, maar is boos omdat ze niet geloofd wordt en vooral boos omdat ze haar kinderen geen eten meer kan geven. De ambtenaren in kwestie vragen aan haar uit te leggen wat er gewijzigd is sinds haar uitkering beëindigd is, waarop cliënte aangeeft nooit samen te hebben gewoond en er dus er ook niets gewijzigd is. Voordat ze gefrustreerd het gesprek verlaat, geeft ze aan dat wanneer de ambtenaren nu bij haar thuiskomen, zij niets van haar vermeende partner zullen aantreffen. De gemeente neemt dit voor kennisgeving aan en wijst de aanvraag af: mevrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar leefsituatie gewijzigd is. Bezwaar en beroep mogen niet baten.
Alle drie de zaken worden in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) op één zitting behandeld. Voor de derde keer wordt bepleit dat de eerste gemeente onvoldoende bewijs heeft geleverd van samenwoning, het bewijs door de tweede gemeente geleverd weliswaar steviger is maar toch net niet voldoende, en dat van iets dat er niet (meer) is geen bewijs kan worden geleverd en dus de nieuwe aanvraag onterecht is afgewezen. De CRvB oordeelde uiteindelijk dat samenwoning in de eerste gemeente niet aannemelijk gemaakt was maar in de tweede wel. Die gemeente heeft volgens de CRvB vervolgens wél onjuist gehandeld bij de nieuwe aanvraag: door te noemen dat er geen spullen meer van haar vermeende partner zouden kunnen worden aangetroffen had cliënte voldoende gesteld dat er een gewijzigde situatie was opgetreden. Daarnaar had de gemeente verder onderzoek moeten doen.
Uit deze zaken van één cliënte blijkt hoe onvoorspelbaar de praktijk is als het gaat om het aanvechten van ingrijpende beslissingen van de overheid.

Björn van Dijk is specialist op het gebied van sociale zekerheid. Voor informatie mail naar bjorn.vandijk@strixadvocaten.nl

De uitspraken van de CRvB zijn hier te vinden:

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2015:459

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2015:458

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:CRVB:2015:457